Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootvader... zijn zoon! Plotseling herkende hij, door de gelijkenis heen der moeder, den vader, den vader zeiven, herkende hij diens wreedheid en zelfzucht, herkende hij bijna alle diens ondeugden en verschrikte hij zóo, dat hij zitten bleef, verstard, versteend, koud in zijn bloed en aderen, in een schrik om dat vizioen. dat hem de vreeselijke toekomst, die zich herhalen ging, zién deed...

Intusschen had het kind zijn woede gekoeld... Het bleef een oogenblik, als verbaasd om zijn eigene passie, kijken naar den afgescheurden kop en het uitgescheurde lijf van zijn beertje, ze beiden kinderlijk weêr voegende bij elkaar, zoo ais zij waren geweest... En toen zag hij tot zijn grootvader op en glimlachte. Zijn fijne gezichtje ging-gehéél op dat zijner moeder gelijken, zijne handjes schetsten bijna muzikaal van beweging een gebaar van verontschuldiging, aan wat, aan wie wist hij zeker zelve niet... Maar de oude man, het boek op de knie, zag het kleinkind verstard steeds aan en alléén in zijn denken was hem de egoïste hoop, dat, omdat hij oud was, hij misschien de dreigende toekomst niet zien zoü... Dit deed hem stil zacht herademen en hij vond de kracht, hij vond de stem terug om tot het steeds naar hem toe glimlachende kind te zeggen:

— Waarom heb je nu je beertje kapot getrokken, kleine vent... ?

Sluiten