Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In tegenstelling met de Duitsche schrijvers, die voorzeker te goeder trouw den vervalschten tekst van elkaar hebben overgenomen, en waarop de Duitsche Regeering hare aanspraken heeft gegrondvest, kan men op op blz. 12 deel 20 van het in 1793 verschenen werk „Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" lezen: „Wat den mond van den Eems betreft, wij weeten niet, dat de grenzen in denzelven anders dan door de natuur zijn geregeld". Het is niet aan te nemen, dat de ongetwijfeld gezaghebbende en deskundige schrijver onbekend zou zijn gebleven met eene grensregeling, als door het vermeende privilegie bedoeld, en zeer zeker sterk afergkende van „door de natuur geregelde" grenzen.

Met het standpunt van den zooeven genoemden schrijver is volkomen in overeenstemming dat der Nederlandsche Regeering in 1824. Dit bleek in 1851, in verband met het plan tot aanleg van het Eemskanaal, van Groningen naar Delfzijl. De Provinciale Staten, die bekend waren met aanspraken der Duitsche Regeering op de geheele Eems, vroegen in Den Haag, of inderdaad het kanaal te Delfzijl direct in Duitsch vaarwater zou uitmonden. Bij onderzoek bleek, dat de Nederlandsche Regeering zich in 1824 uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld, dat zij de Eems als grensstroom beschouwde, die deels tot het Nederlandsche, deels tot het Duitsche territoir moest worden gerekend.' Een verzoek om regeling' van de watergrens tusschen Nederland en Hannover, terzelfder tijd met het juiste regelen der landgrenzen, werd niet ingewilligd, omdat de commissarissen van Hannover zich, waarschijnlijk in overleg met hun regeering, onbevoegd verklaarden. Ook latere pogingen tot onderhandeling zijn afgestuit op de bewering der Duitsche Bondsregeering, dat de souvereiniteit over de Eems aan haar alleen toebehoorde.

In 1870 bleek de Pruisische Regeering echter een eenigszins veranderd standpunt te hebben ingenomen. Zij vroeg toen althans aan de Nederlandsche Regeering vergunning, de tonnen en bakens, aan den ingang van de Eems geplaatst, te mogen wegnemen. Het is immers ondenkbaar, dat zij dit verzoek tot onze Regeering zou hebben gericht, wanneer zij zelve overtuigd ware, de souvereiniteit over de geheele Eems te bezitten — tenzij men mocht willen aannemen dat zij, bekend met de stenuriing van Willem III, de vraag als eene beleefdheid opvatte, om zekerder te zijn van flankdekking. Maar hoe het ook zij, ook in 1896 stond zij op het zelfde

Sluiten