Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft op kaart 19 een grens aan op de Beneden- en WesterEems, die het midden houdt tusschen de grens van de Duitsche stafkaart en de door ons verdedigde. De schaal is echter zeer klein. Op de kaart van Groningen kómt die grenslijn niet voor. De kaart van Nederland en België in den grooten atlas van Andree anno I914 geeft de grens geheel volgens de Duitsche stafkaart.

Deze niet-officieele opvattingen daargelaten, voelt men dat we hier staan tegenover een uiterst handig stelsel van precedenten en daden eenerzijds, en schijnbaar stilzwijgende erkenningen anderzijds, die bij den oningewijde den indruk moeten vestigen, dat onze Regeering veel voelt voor de waarde van het zoogenaamde privilegie anno 1454. Dat onze Regeering vol ontzag zou kunnen opblikken naar het gefronste voorhoofd van den sterken, goedigen buurman, wordt door velen niet zoo grif aangenomen. En toch, die sterke buurman weet, dat er daarginds over de Eems een zwakke neutrale staat ligt, waarin vele burgers en burgeressen den hoogsten prijs stellen op een ongehavend huis en erf; waarin de geest van koppige onafhankelijkheid en van werktuigelijk verzet tegen iedere onrechtmatigheid en eiken druk ter neer schijnt te liggen onder de knie van onze vermaarde voorzichtigheid, die de moeder van de porceleinkast heet.

En de groote, en sterke buur doet zijn voordeel met die wetenschap; op weloverdachte, kaufmannische wijze.

Herhalen we, terwille van het gemakkelijke overzicht, in .het kort de feiten.

Volgens een oude charter van 1454 zou Keizer Frederik III de souvereiniteit over het geheele Eemsgebied hebben geschonken aan den rijksgraaf van Oost-Friesland, een zijner beide leengebieden, aan weerszijden van de Beneden-Eems gelegen.

Uit eene opgave van het archief, waar deze en andere leenbrieven worden bewaard, is gebleken dat de bedoelde schenking niet in den bewust en leenbrief vermeld is.

In de grenstractaten van 1636, 1700, 1706 en 1723 wordt over eene grensbepaling niets gezegd.

In het prijsgeding van 1800, aangaande het schip „De Twee Gebroeders" wordt door den prijsrechter uitdrukkelijk gezegd, dat geen enkel deugdelijk bewijs bestaat, dat de WesterEems — waarvan hier kwestie was — in eene eventueele

Sluiten