Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schenking begrepen was, en wordt voorts de ongeldigheid eener dergelijke schenking, zoo ze bestond, vastgesteld.

In het verdrag van 1824 heeft de Nederlandsche Regeering zich uitdrukkelijk op het standpunt geplaatst, dat zij de Eems als grensstroom beschouwt, die deels tot Nederlandsen, deels tot Duitsch territoir moet worden gerekend.

In 1851 en later heeft de Duitsche Regeering hare opvatting doen kennen, dat de souvereiniteit over de geheele Eems aan haar alléén behoorde. »

Het verzoek der Duitsche Regeering van Ï870, zoomede art. 13 van het verdrag van 18961) toonen ondubbelzinnig aan, dat Duitschland onze souvereiniteit op de linker BenedenEems heeft erkend.

In 1909 geeft de Duitsche Staf het blad der stafkaart uit, betrekking hebbende op de Eems, en berustend op opmetingen, in 1891 verricht. Op die kaart wordt de grenslijn geheel overeenkomstig het beweerde privilegie getrokken.

In 1911 heeft de Duitsche Regeering zich vereenigd met het benoemen eener gemengde commissie tot voorbereiding eener grensregeling in de Eems.

Gedurende dezen oorlog heeft de Duitsche Regeering zich daadwerkelijk op het standpunt geplaatst, dat zij de souvereiniteit bezit over het geheele Eemsgebied.

Intusschen was eenige jaren vroeger von Bernhardi's boek „Deutschland und der Nachste Krieg" verschenen. Het gaf uitdrukking, vorm en richting aan wat er woelde in het Duitsche gemoed. Wie dit betwijfelt, schaffe zich aan en leze: von Treitschke, Politik; Nippold, Der Deutsche Chauvinismus; Nederland en Duitschland. Keur van documenten; Rohrbach, Der deutsche Gedanke in der Welt; Van Manen, Duitschland's groei en het Pruisische overwicht; Hackel, Ewigkeit, Weltkrieggedanken; Brugmans, Het Pangermanisme — om slechts eenige werken te noemen.

Het eerste, hoofdstuk van het boek van von Bernhardi heet „Das Recht zum.Kriege", het tweede„Die Pflicht zumKriege'-'. Wij zouden van harte wenschen, dat een ieder deze beide hoofdstukken mocht lezen. Want dan zou men weten, ook zonder

*) De geldigheid van het verdrag van 16 Oct. 1896 „terzake van

het onderhoud van de betonning, bebakening en verhehting

der vaarwegen van de Beneden-Eems en hare monden" is later opnieuw vastgesteld (Zie Oranjeboek 1911/12 blz. 58). /

Sluiten