Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de souvereiniteit van Oost-Friesland over de Eems kon beteekenen, daar zelfs bij Rottum (Groningsch eiland), die bakens en tonnen werden geplaatst. Naar aanleiding van deze quaestie zeide Scott o.m.: „The laying them" (d. z. de tonnen) „down, may be a servitus, and a burthen, or may it be neither; it may be only, that this is a navigation in which the city of Embden is much interested, and the Dutch comparitively littte, and therefore are content to leave the care and expense of it'Upon their neighbours". (Wij cursiveeren).

Nog steeds is die verhouding der wederzijdsche belangen aanwezig, doch tegenwoordig betaalt Nederland de helft en feitelijk nog méér (zie hiervóór).

Het vermelde geval van het schip De Twee Gebroeders levert belangrijke gegevens op ten aanzien van de souvereiniteit in de Beneden-Eems. Genoemd schip werd met eenige andere Nederlandsche koopvaarders den I4en Juli 1799 door Engelsche oorlogsschepen genomen, terwijl die Nederlandsche schepen in het Uithuizer Wad lagen. Pruisen reclameerde het vrijlaten der schepen omdat het beweerde, dat zij, toen zij werden genomen op Pruisisch (onzijdig) territoor lagen. (N.B. In het bekende werk van Robinson, „Reports of Cases" enz. III, blz. ï.62—166, resp. blz. 336—354, komen twee lezingen van het geval voor. Alleen de laatste is voor ons van belang, daar de uitspraak volgens de eerste lezing (29 Juli 1800) als berustende op onjuiste gegevens, is te niet gedaan door die van 17 November 1801. Aanvankelijk schijnt n.1. te zijn uitgegaan van de veronderstelling, dat het Engelsche oorlogsschip, dat de sloepen afzond om de Hollandsche schepen te nemen, in de Ooster-Eems — erkend Pruisisch territoor — lag, dat dus het nemen van die schepen was begonnen op neutraal gebied en derhalve de prijzen moesten worden teruggegeven. Later bleek, dat de Engelsche oorlogsschepen niet op de Ooster-Eems lagen, doch door de WesterEems naar een ligplaats zijn gegaan buiten de betonning (aan de Groningsche zijde). Een kaartje verduidelijkt die opstelling).

.Pruisen beriep zich op een „schenking" infÏ42$)door den Duitschen keizer gedaan, waarbij aan graaf Ulridrfcle feodale investituur van Oost-Friesland werd verleend. De prijsrechter toonde aan, dat die schenking nimmer kon betrekking hebben op de Groningsche Wadden en tevens, dat er geen enkel deugdelijk bewijs bestond, dat de Wester-Eems in die schenking begrepen was.

Sluiten