Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergunning gevraagd om de tonnen en bakens, aan den ingang van- en op de Eems geplaatst, te mogen wegnemen. Artikel Ï3 van het verdrag van 1896 zegt: „Het recht van beide l) contracteerende Staten om in gevallen van nood, in het bijzonder van een oorlog of het dreigen van een oorlog, de of hun gebied') zich bevindende vuren te blusschen en de tonnen en bakens weg te nemen, blijft door deze overeenkomst onaangetast."

Beide omstandigheden: het verzoek in 1870 gedaan en het redigeeren van artikel 13 bovenvermeld in 1896, toonen aan, dat Duitschland onze souvereiniteit over de BenedenEems (linker gedeelte) heeft erkend.

Voor een rivier, die het gebied van twee Staten scheidt, , geldt het beginsel, dat de dalweg de grens vormt, tenzij tus- * schen de betrokken Staten onderling anders mocht zijn overeengekomen. Nu moge echter de Beneden-Eems een rivier worden genoemd, zij is toch inderdaad een voor zeeschepen toegankelijk vaarwater. Ook W. Scott wees daarop in zijn vonnis betreffende De Twee Gebroeders (Robinson III blz. 341—342). Algemeen wordt het beginsel erkend, dat daar i waar een Staat grenst aan de open zee (die geen territoor en geen res nullius maar een res communis is) de kuststaat over een strook van de zee ter breedte van drie zeemijlen, gerekend van de laagwaterlijn aan de kust, een bepaald gezag uitoefent (territoriale zee). Dit beginsel berust op de overweging, dat het bedoelde gezag onontbeerlijk is voor den kuststaat om zijn souvereiniteit te kunnen uitoefenen en handhaven. A.fortiori zal dus het z.g. droit de conservation van een Staat medebrengen, dat nimmer in een voor zeeschepen toegankelijk water, hetwelk zijn kusten bespoelt, een andere Staat het uitsluitende souverej^iteitsrecht kan uitoefenen.

Daarom zijn op de Beneden-Eems de woorden van toepassing door Scott geuit, naar aanleiding van de beweerde „schenking" van 1424: „Suppose this case, that an Imperial grant did in the most expïess terms declare, that one of the maritime provinces of the empire" (in casu: Groningen) „should not have its natural extent of sea-jurisdiction, but

tha,t another province should possess it" Zulk een

schenking acht hij niet geldig. Hij qualificeert haar als volgt: „a grant which opposes all common principle, and which,

*) Wij cursiveeren.

Sluiten