Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

coming from the general protector of the empire" (den Keizer) „deprives one province of its natural amplitude and means of defence." (Rob. III blz. 344—345).

Hieronder zullen wij trachten aan te toonen waarom o. i. de Beneden-Eems is territoor, onverschillig of zij wordt genoemd een „rivier", dan wel een „zeeboezem", „golf", „baai" of „inham", (Wij vatten deze verschillende vormen hierna samen onder den naam „zeeboezem" of „baai") dat dus de grens tusschen de betrokken Staten, op grond van het onmiddellijk voorafgaande, moet worden getrokken in de baai, en die grens nooit kan loopen onmiddellijk langs de kust van een der oeverstaten, tenzij deze Staat zich voor den wil van den anderen mocht buigen.

De zeeboezems kunnen worden onderscheiden in die met wijden- en die met nauwen ingang. In beginsel worden onder de laatstbedoelden verstaan die, waarvan de toegang van de kusten af kan worden beheerscht. Die met wijden ingang vormen open zee, zoodat ook in den zeeboezem de strook van 3 zeemijlen (3 X 1852 M.) breedte langs de kust de territoriale zee der oeverstaten vormt1).

Algemeen is men het er over eens, dat een zeeboezem met nauwen ingang, indien aan dien zeeboezem slechts één Staat grenst, territoor is van dien Staat, hoe groot die zeeboezem ook zij. In art. 2 van het Noordzeevisscherijverdrag van 6 Mei 1882 (Stbl. ï.883 nr. 73), waarvan zoowel Nederland als Duitschland mede-contracteerende partijen zijn, is bepaald, dat bij zeeboezems (met nauwen ingang) de- territoriale zee wordt gemeten van uit een rechte lijn, die dwars door den zeeboezem wordt getrokken in het gedeelte, het dichtst bij den ingang gelegen (d. i. het dichtst bij de open zee) waar de opening niet grooter is dan

!) Sommige Staten kennen zich het Souvereiniteitsrecht toe op zeeboezems met wijden ingang, waarvan de kust uitsluitend tot hun territoor behoort (z.g. Kings Chambers). Het Inst. de Dr. int. heeft in zijn ontwerp betreffende de territoriale zee (1894), die souvereiniteit erkend, voor zoover „un usage continu et séculaire" ze heeft gesanctionneerd. Op deze quaestie die buiten het bestek van dit opstel ligt, kan niet verder worden ingegaan. Men zie hierover de belangrijke verhandeling van den hoogleeraar De Louter: „De arbitrage in het Noord-Atlantische visscherijgeschü" (1910), voorkomende in „Verslagen en mededeelingen der Kon. Acad. van Wetenschappen, afd. Letterkunde, 4e reeks, deel 4 (blz. 374—407).

Sluiten