Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

historische geografie van Nederland, aan den Groninger dr. G. Acker Stratingh. In de Bijdragen tot de geschiedenissen èn. oudheidkunde der provincie Groningen, Deel II, 1865, blz. 181—206, schreef hij een verhandeling: „De Eems, vooral de Beneden-Eems, als handels- en grensstroom beschouwd". De geschiedenis der Duitsche aanspraken wordt daar in details verhaald. Zij blijken te berusten op den leenbrief van Ï454, door keizer Frederik uitgereikt aan Ulrich Cirksena, bij diens verheffing tot rijksgraaf van Oost-Friesland. Volgens sommige Duitsche schrijvers zou in dien leenbrief onder de aanhoorigheden van Oost-Friesland ook genoemd worden de rivier de Eems, onder de woorden: „auch dem Wasser die Eemse, und allen anderen Schiff-reichen Wassern, Bachen, Teichen, Flüssen, klein und gross, wie dieselbe Nahmen haben." Andere. Duitsche historieschrijvers citeeren die woorden niet uit genoemden leenbrief, maar eerst uit latere bevestigingen daarvan, uit de 15e en 16e eeuw. Acker Stratingh schrijft nu hieromtrent het volgende (blz. 194):

„Om hierin zekerheid te erlangen, hebben wij ons gewend tot de Koninklijke Hannoversche Landdrosty te Aurich, met verzoek om in het Provinciaal Archief aldaar, waar die Leenbrievèn bewaard worden, dezen op dat punt na te zien. Het stellige antwoord, ons bereidwillig gegeven, was, dat voorzeide woorden niet in de oorspronkelijke Leenbrieven gelezen worden."

De oudste tekst, die de vervalsching bevat, is — zoover bekend — een zonder opgaaf van samensteller, uitgever, drukker en plaats van uitgave in 1610 verschenen verzameling. Dat pamflet is in 't bijzonder door de Oost-Friesche geschiedschrijvers vlijtig afgeschreven. Op dat drie eeuwen oud pamflet berust de grenslijn der nieuwe Duitsche stafkaart.

De tekstvervalscher, die het samenstelde, heeft een willig oor gevonden bij de regeering van Oost-Friesland, zooals later bij die van Hannover, als tredende in d'e'rechten der eerste; en ten slotte bij die van Pruisen. Hoe heeft de Nederlandsche regeering zich gedragen tegenover deze dwaze pretentie ?

Wij zouden er niet veel van-weten, als Acker Stratingh het ons niet had medegedeeld. Hij verhaalt het volgende:

In 1851 was bij de Provinciale Staten van Groningen aanhangig het plan tot aanleg van het Eemskanaal, van Groningen naar Delfzijl (dat eerst in de jaren 1866—1876 tot

Sluiten