Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste boot legde aan den oever aan. De Engelschman was er het eerste uit en hielp de dames, ofschoon toch ook de Hollandsche heeren de handen uitstrekten. De dames schenen dat niet te zien. Weer praatten zij allen de vreemde taal, die hij niet verstond en als de Engelschman lachte, lachten ze allen heel luid mede. Nu stonden er vier dames om hem, keken niet meer naar de heeren, waarmee ze gekomen waren, en spraken de taal, die welluidender klonk dan Hollandsch. De eene dame sprak al luider dan de andere, en het scheen wel dat elk hem toonen wilde, dat ze zijn taal zeer vlug en rad kon spreken. Wat zou het toch zijn. De Engelschman gaf hun geen geld, hij sloeg ze niet, vloekte niet tegen hen ...

Kassan begreep het niet en omdat hij er nu al veel te lang over had nagedacht en zijn hersenen moe waren, bepaalde hij verder zijn aandacht tot het strootje, dat hem goed smaakte en tót de boot die door het telkens in en uit klauteren van natte baders voller was dan de andere.

Hij hoorde de stemmen zich verwijderen en verheugde zich er over, dat hij den verderen avond rust zou hebben, dat geen bader hem meer zou storen. De mata-hari zou gauw wegzinken.

— You are a fine diver, Mr. Sweet, zei Emmy van Vliet, terwijl ze naast hem voortwandelde, — Ja, jij ook Ru, maar je moet niet meer zoo lang onderblijven, je zag heelemaal blauw.

Van Vliet, Sweet en Cy. 3

Sluiten