Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVI.

Van Vliet wist nu alles, juffrouw Van der Kooy had in de achtergalerij, waar men haar op een ruststoel had gelegd, alles verteld, wat zij wist van den Mister Jan Sweet, van Kattenburg, die zich en met succes voor Engelschman had uitgegeven.

En hij was weer naar de voorgalerij gegaan, liep daar al een kwartier te ijsberen. God, God, die kerel, die ploert, die swieterige swietvent, wat een blamage, wat een blamage. Daar had-ie nou mee in de Concordia gezeten, daar had ie mee gesoupeerd, mee gebiljard in de Harmonie, daar had-ie zich, waar hij kon, mee laten zien. Daar had-ie zijn dochter mee laten dansen, daar had-ie champagne voor laten aanrukken. Hij had toegestaan, dat

•Emmy ermee ging paardrijden in Sindanglaja

en wat al niet meer. Hij had de vent in zijn familiekring opgenomen, had hem bijna zijn dochter gegeven, in zijn zaken gezet....

Een jongen van Kattenburg, nee van het Rapenburgerpleintje, misschien wel van het Vuileweespad! Dat had zich voor willen doen als Engelschman, omdat men hem dan voor voller zou aanzien. De schurk! En dat hij hem, hèm, Van Vliet, daar juist voor als slachtoffer had moeten kiezen, dat hij daar

Sluiten