Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ze scheen ook behoefte aan zwijgen te hebben en zat, den rug rechtop tegen de leuning van den stoel, voor zich uit te staren.

Zij keek naar niets. Ik keek naar haar.

In 't aangroeiend duister gebeurde dit vreemde, dat haar mooie gezichtje door mijn staren als ontvleesd werd. Voor mijn strak kijken begon het eerst op en neer te dansen, verloor toen zijn werkelijkheid, werd een ontvleesde doodskop. Ik wilde mijn oogen aftrekken van haar, maar een vreemde, booze macht hield me gevangen. Ik moest zien, moest haar zóó zien... En allengs sloot de zwarte avond als een sluier van rouwe om den ontvleesden kop. Toen werd 't heel bang in me, toen werd 't zoo bang in me, dat ik haar naam riep,—hardop.

„Ja," zei ze, ,,'k wou je juist vertellen. Ik wil tóch niet, dat je me voor nóg slechter houdt dan ik ben. Ik kan wel liefhebben. Ik heb iemand liefgehad. Dien heb ik nóg lief. Neen, zeg nu niets, dan kan ik niet meer praten, 't Was toen ik van Brussel terugkwam de laatste vacantie. Ik leerde hem kennen bij de zuster van Amy... je kent hem wel, hij is kunstcriticus. — Ik heb altijd gedacht, dat de „coup de foudre" 'n onbestaanbaarheid was. O, God, maar 't bestaat — en hoe! We wisten het dadelijk, nog vóór we aan elkaar voorgesteld werden, nog vóór we eikaars naam wisten. We keken elkaar aan en ineens was de kamer als vol gouden schijn.

Sluiten