Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was of mijn hoofd niet meer mijn hoofd was, maar een wondere bloem, die uit me opbloeide, een lichtuitstralende bloem; en in al dat goud stond hij en hield mijn hand na de voorstelling, en die minuut was als een prachtige eeuwigheid en ik zweer je: we wisten 't alle twee, zonder dat we nog goed eikaars naam gehoord hadden.

't Was mijn laatste avond bij Amy's zuster en we spraken verder geen woord samen.

't Was alsof we elkaar ontweken en toch zong het in me, zoo wonderlijk hoog en mooi en 'k wist zoo zeker, zoo zeker, dat we elkaar liefhadden en dat ik hem weer zou zien.

Den volgenden morgen ging ik terug naar de Avenu d'Audrighem en toen ik er aankwam, vertelde Madame, dat er een telegram was ■— en ik was niets verwonderd.

Er stond weinig in: „Ik kom Zondag trein zoo laat." —Weet je nog, dat ik — net terug na de vacantie — plots weg moest, omdat tante ziek werd? Dat was gelogen. Zondags heb ik hem afgehaald en toen hebben we afgesproken: hij zou dat telegram sturen: „Tante ziek, kom direct". Ik zou me op den trein laten zetten en in Antwerpen uitstappen. En zoo is het gebeurd."

't Was nu heel duister in de kamer en 't was of een onwezenlijke, verre stem een sprookje vertelde, een mooi maar tragisch sprookje — want ze waren

Sluiten