Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen zich aan — zijn sterke, harde been vlak tegen het hare en 't werd haar alles bijna te veel, hoewel geen physiek verlangen in haar was. In het dorp bracht hij haar in een herberg en vroeg een kamer en vuur.

„Nou," zei de boerin, „jelui bent er aardig aan toe. Wat 'n weertje! Maar 't doet deugd, hoor. Laat de grond maar eens wat gedekt liggen, daaronder gebeurt het toch. Nou, nat zijn jelui...'

De dochter bracht nu takken en hout en in een oogenblik laaide hoog op het felle houtvuur. Ze bestelden chocolade en brood, en als ook dat binnen gebracht was, bleven ze alleen.

Nu keken ze de kamer eens rond. 'tWas een groot, laag vertrek met balken plafond. Er stonden een mooie, oude kast, een tafel en veel stoelen. In den muur was de bedstee; hij opende de deuren en zij lachten. Een frissche geur van zeegras kwam hen tegen, gemengd met den geur van overrijp ooft; dat waren appelen, die bewaard werden op de beddeplank. Hij nam er één: een verschrompeld reinetje. „Zoo worden wij nu ook eens," zei hij weemoedig ... Dan ineens: „Maar we hebben nog tijd, hei ho!" Hij nam nu haar hoed en mantel en hing die over de stoelen. Öok haar blouse was nat. Hij trok ook die uit. ^

„Wat ben je mooi, mijn zomer,' zei hij zacht. „Wat ben je mooi."

Sluiten