Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefdeleven, zoodat voor haar in zijn leven geen geheimenis meer was.

Ze leefde al zijn avonturen over met hem, in hun schoonheid of leelijken vorm en ze werd heel rustig. Neen, deze man kón niet blijven. Dat was niet de echtgenoot, dat was de god, die kwam omteinitieeren en die dan weer verder ging. — Ze zag hem nu zoo anders, maar ze had geen verdriet. Toen ze eindelijk 's avonds in zijn armen lag, zei ze: „Zoo is het wel goed. Ik ben te vol; dit had ik nooit uit kunnen houden."

Toen doorpriemde hem een felle pijn, want heel diep in wilde hij toch begeerd zijn en betreurd. Zoo fel was die pijn, dat hij haar later zei tóch te willen blijven, omdat zij misschien gecompromitteerd was, omdat het leven haar nu zoo zwaar zou vallen. Hij meende wat hij zei, want hij geloofde in een geweten. Alléén hij verwarde geweten en gekrenkte ijdelheid... Maar nu kon zij niet meer. Nu was haar het sprookje lief geworden, nu wilde ze dat behouden, en ze kende zichzelf en vreesde het moment, dat over al die voorbije liefdes haar jalousie wakker zou wórden.

Neen, nog die nacht en dan ...

Ze sliepen in — als twee, die levensmoe, stervenswillig zijn... Ze sliepen, óp van het leven en 't verlangen, den schijndood „slaap ...

Toen Magda'smorgens ontwaakte, washij weg.

Sluiten