Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X

OP den Boulevard Anspach was groote menschendrukte. Bij het beeld, achter de aaneengerijde aapjes, stonden een man en een vrouw. De man zag moe en afgeleefd. De vrouw was nog jong, verborg achter de wijde plooien van haar vergrauwden armemenschenrok een klein, blond meiske.

Ze zag er arm, maar frisch en gelukkig uit en keek telkens met bijna vrome bewondering naar den man, die ernstig daar stond en zong.

Het was een idealistisch-socialistisch lied, zeggend het leed en de verlangens van den bewusten werkman.

Van Weele bleef even staan. Dat interesseerde hem altijd, 't onmaatschappelijke. En als hij deze menschen haatte, deze socialisten, was het misschien om hun makheid, die hij niet begreep. Instinctief voelde hij, dat, als hij arm geweest zou zijn,, hij het niet zóó gedragen zou hebben. Hij, de kapitalist, hij haatte deze menschen, omdat ze hem gedoogden, voelde zich toch weer tot hen aangetrokken om hun stille, norsche onmaatschappelijkheid.

Aandachtig luisterde hij; toen, in een opwelling, haalde hij een biljet van 100 frcs. uit zijn portefeuille en gaf het den man.

Sluiten