Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen zij eindelijk in de Marnixstraat kwam, was het te laat. Stijf en koud lag daar „Rini". Rini! Ze had zoo geprobeerd het te voelen, maar nergens was een leegte en al haar „weten", dat ze de moeder was van wie daar lag, hielp haar niets.

Toch voelde ze tranen —1 maar diep in, daar waar niemand komt, voelde ze, dat het was, niet om Rini, haar eigen Rini, maar omdat ze nu zoo bruusk en zeker herinnerd werd aan dat, wat ze vreesde: den dood. Eigenlijk beweende ze zich zelf en de, tot zekerheid aangroeiende, mogelijkheid van eigen dood. En ze wist alles zoo akelig klaar. Ook dit, dat ze toch Rini benijdde, dat: interessant te zijn gestorven. De dood was wel altijd belangwekkend, maar zóó, ineens, zonder voorafgaande ziekte; ze voelde wel» hoe zeer bijzonder dat was, en dan op Rini's leeftijd.

Vreemde mengeling was in haar geweest: van betreuren het leven, dat verbroken was èn benijden. Ze had den nacht gezeten aan Rini's bed, zooals men zit bij een vreemde doode, met verre en toch heel nabije gedachten aan den dood, niet aan haar dood. En nu was ze weer thuis op de Keizersgracht en ze bedacht, hoe ze het best doen zou, om toch vóóral deftig te zijn.

Ze had ook haar vermoedens als iedereen. Rini flirtte a outrance, maar voor haar bleven dit dingen van buitenaf. Van binnen wist ze, dat Rini

Sluiten