Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII

EN hu lag Rini dan toch thuis, omdat de zwarte man, die alles zoo precies wist, dat beter had gevonden.

In een kleine zijkamer aan den overkant van de gang was een chapelle ardente gemaakt. Daar, tusschen den somberen opschik van zwarte zware gordijnen met zilveren kwasten, van flauw, als in rouwe flikkerende kaarsen, bleek-witte treurnis in zilveren dragers, lag Rini. Bij het binnenkomen deinsde VanWeele even terug. Uiteraard was dit alles hem antipathiek, hij wist dat vooruit, maar hij vond er nu toch een zeker genot in zijne gewaarwordingen heel nuchter te controleeren. De vreemde zoet-vieze lucht in de kamer, gemengd met den onfrisschen geur van lelies en tuberozen, 't bracht hem in een stemming van diepen weemoed. Hij zag naar Rini, die hij gekend had. Zooals ze daar nu lag, was ze een oud vrouwtje, alle passie en levenswil weg uit haar. Alle verlangens als uitgewischt om mond en neus. Hij keek haar lang en goed aan. Neen, ze was niets meer. Dit was Rini niet, dit was everybody en nobody —• een lijk. Door de deur, die hij niet achter zich toegetrokken had, kwam een koude luchtstroom naar binnen, waaide hem toe een sterkeren tocht van dat fade, weeë, zoetigzware, dat was in de kamer. Hij vreesde nog zoo'n

Sluiten