Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behouden, maar om weer weg te gooien en zorgeloos verder te gaan. Al dat leed, dat hij nu al gedaan had, al dat leed, dat hij nog doen moest.

„Zonneherst" —• daar was het leed, gedachtenassociatie, Zonneherst. — Om hem werd nu plots de stilte bezield. Hij was in Brussel, hij zag moeder en dochter, hij hoopte nu fel op de volgende dagen, alle bewustzijn van te doen leed en alle dieper zelfgevoel en zelfontleding was verdwenen, als met één slag.

Nu vond hij Rini afschuwelijk, nu trok hem wel weer het huis, waarvan hij de geluiden zuiver ontleedde.

Hij wilde Rini nog eens beroeren, met zijne lippen, deze vrouw, die hij levend nooit gekust had. Hij boog zich over de doode en met een woesten wil drukte hij zijne lippen op de hare... 't Was een seconde, maar het leek hem een eeuwigheid.

Hij hoorde zich zelf gillen, een langen schrellen gil. Dan niets meer. Even daarna stond mevrouw Schennema in de deuropening. Lang, mager, hoog en koud. Ze keek naar die beiden — en iets als ergernis waasde over haar gézicht, iets als jalouzie ook, om een gevoel, dat ze bij hem vermoedde en waartoe zij zelf onmachtig was: verdriet. Ze vergiste zich: verdriet kende Van Weele niet.

Als hij alleen geweest was, had hij de doode nogmaals gekust, om dat wreede en vreemde van

Sluiten