Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de twee jonge menschen in de zonnige kamer voelden dit als een leugen.

„Ach, moeder! Waarom zegt u dat? Voor Rini was misschien ook nog geluk ..."

„Neen," bitste demoeder, „voor wie niet willen als anderen, voor wie eeuwig zoeken en geen rust begeeren, is en komt er geen geluk."

Van Weele boog het hoofd. Zoekenden, dat waren ze. En voor hen zou geen geluk zijn?

„Soms tóch wel, éven toch wel, we hebben toch prachtige momenten," protesteerde hij.

„Jawel, ups en downs, momenten — en dan weer de terugslag. Neen, geluk, dat kennen jullie niet.

Er viel een stilte. Van Weele keek nu naar Betty. Ze was gaan zitten, den rug tegen het licht. Vaag zag hij haar trekken, moe en verouderd, met alle teekenen der gravida. Hij herinnerde zich den tijd nu, dat hij wel iets voor haar gevoeld had, als hij nu eens... als een vrouw door hem eens zoo was. Als er maar eens één was, die hem dat had kunnen schenken: het kind. Hij keek haar nu bijna met teederheid aan.

Zij voelde zijn blik, zag naar hem op en, door haar stille tranen heen, glimlachte zij.

De zon hing in de kamer als een goudene weldadigheid, omwaasde alle treurnis met nieuwe hoop.

Sluiten