Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik vergeet niets. Maar ik haat jullie, hoor je, jullie allemaal, omdat je met je malle modernisme mijn leven vergald hebt. Ik had van jullie willen houden..." Ze barstte in snikken uit, een heftig onbedwongen snikken, dat haar doorschokte en brak.

Van Weele stond op en ging naar Betty toe. Hij legde zijn hand op haar schouder.

„Kom," zeide hij, „ga nu. Menschen als wij doen veel kwaad."

Hij leidde haar door den tuin en kwam dan terug tot waar mevrouw Schennema zat. Zij snikte niet meer, maar iets in haar was dood. Haar blik was leeg en ver weg. Van Weele stond nu naast haar. „Waarom", vroeg hij, „laat u uwe hefde hét niet winnen van uw fatsoen?"

Zij gaf geen antwoord, maakte alleen een gebaar van onmacht.

„Alles kan", zei Van Weele en ging toen stil den tuin door. Stientje, vanuit de keuken, zag hem na. Zou hij haar nog even aankijken? Ze wachtte. Bij het hek keek hij nog even om en Stientje ziende en zich de scène van straks herinnerend, lachte hij haar vriendelijk toe. Binnen in Stientje steeg een weldadige warmte.

Sluiten