Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet aan mij om den staf te breken over wien ook, ik zal mij er wel voor hoeden wien ook te veroordeelen, maar ik heb meelij met de slachtoffers."

Christy begreep even niet, waarheen het nu ging en wat precies die slachtoffers waren; daarom zei ze maar mets en het in zich opkomen dat nieuwe, zachte gevoel voor den man, die daar nu zat en die nu weer zoo anders was dan straks, toen hij haar in zijn armen hield. Maar zijzelf was ook anders. Ze praatte nu toch en dacht en tegenover haar moeder deed ze, of er niets gebeurd was. Toch was er iets gebeurd: ze had zichzelf nu toch gegeven in dien kus en een wijde toekomst lag voor haar, waarin alles anders zijn zou dan het tot nu toe geweest was.

Het woord „slachtoffers" hing nog tusschen die drie menschen als iets, dat niet zoo blijven kon. Van Weele voelde dat heel goed, zocht diep in zichzelf een tegenwerping, een verdediging.

„Maar iederen keer, dat ze een slachtoffer maken, zijn ze het toch zelf ook."

„Misschien wel, maar dat hebben ze dan aan zichzelf te danken; met hen heb ik geen meelij."

„En dat is hun tragiek," meende Van Weele.

„Misschien wel, ja! Christy, zou jij even Marijke willen zeggen voor Marie Anne de kalfssoep te warmen en breng jij die dan zélf even?"

Dat liet geen twijfel. Christy werd weggestuurd.

Sluiten