Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kind, je moet nog leven! En er is zoo oneindig veel!"

„Ja, hè, leven, dat willen we, zeg? Alles doen, alles zien, alles kennen."

Hij schrok van haar hartstochtelijken toon. Was dat al zijn invloed? Maar de auto, met een snellen zwaai, draaide 't Voorhout in, sleepte nog even en stond dan. Hij hielp haar uitstappen, glimlachte weer om haar oolijk sprongetje: een dame werd ze wel nooit! Dan gingen ze binnen. Zij, zoo verwend, vond 't toch telkens weer heerlijk haar voeten te voelen in zachte, mollige loopers over marmeren gang. Ze genoot van alles. Van de correcte buiging van den bediende, die haar „Mevrouw" noemde, van Van Weele's arm in den hare, van al dat goud en zilver rondom en van de heerlijke weeldestemming. De bediende ging weg, zou mijnheer zelf roepen. Zoo bleven ze even alleen en achter een pauw van Landman, die beschermend zijn breede staart uitpronkte, kuste hij haar oogen.

Dat was voor haar het ongewone met al de charme van het gevaar. De heer Begeer kwam binnen, groette Van Weele als een bekende en nu begon het. Serviezen van zwaar zilver — met Louis XVI-rand... Dat was gauw beslist—maar ondertusschen snuffelde Christy langs de glasoverdekte kastjes, ontdekte wonderen. „Zoo'n belletje, zeg, voor naast mijn bed." „Ons!" fluisterde hij en nam

Sluiten