Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hij zei en ging langzaam naar de auto, zonder omzien, in blind vertrouwen. In den wagen waren haar gedachten als kleine, groeiende kinderen, die reuzen werden en zwaar te torsen. Ze liet zich naar zijn kamer brengen — en als resultaat harer gedachten schreef ze op een papier:

„Et pourtant le ciel est bleu, puisque je t'aime."

Van Weele, nadat Christy weggegaan was, had nog wat doorgeloopen en zich toen maar ergens laten vallen tegen de helling van een duin. Zijn gedachten waren weg. Er was nu niets in hem dan een zwarte moeheid. Hij was nu wel onder in de put en kon niet dieper — maar licht kwam er ook nog niet. Hij lag daar als een ten doode gewond dier, dat aan geen hjfsbehoud meer denkt; en dedag stond boven hem en de boomen rezen rond hem als een bewijs van uiterste onverschilligheid der natuur. Ergens zong een vogel, riep luid, wanhopig. Instinctief hief Van Weele het hoofd op.

Die vogelroep riep associaties op aan Christy. Nu herinnerde hij zich, dat ze samen waren en ook vaag, hoe hij haar weggestuurd had. En dat was het eerste lichtpuntje. Christy ... Nu werkte alles terug. Nu, langzaam aan, kwamen als nieuwe gedachten de herinneringen ... Nu kwam als een vlaag warmte: herinnering aan geluk. Het mooie, gave geluk der laatste dagen, waarin hij zijn onzalige natuur verloochend of vergeten had. De

Sluiten