Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

innige belangstelling alle gedachten en zwenkingen van den neurastheniker, dién hij zich wist. Die sterkere grijnsde, cynisch: „Je komt er wel weer van op. Heelemaal te versuffen, zoo gelukkig ben je niet. Je bent net beroerd genoeg om alle geluk te verstoren — en dan 't weer bij te spijkeren." Opeens viel hem iets in. Dat had hij nog nooit gedaan in zoo'n bui. Hij wilde naar zijn kamers gaan. Loopen zou hij. Die gedachte trok hem aan. Ja, zoo was het wel goed. Naar zijn eigen kamers en dan een fijn, koud souper laten komen en dan maar weer zien. Hij slenterde, nu niets en niemand ziende, langs den stillen kant van het kanaal. Vanuit den dierentuin klonk gebrul. Hij lachte onnoozel erom. Moest denken aan al die opgesloten dieren. Veel menschen leefden eigenlijk net zoo. Hij zelf toch ook. Wie had er nu eens géén trahes? Zijn trahes waren de ongelukkige neurasthenie. Die spon een net om hem van onontkomelijke zieligheid. Zeker, hij kon een heel eind gaan, tot den anderen kant van 't net — daar waren tóch weer de mazen, die hem dwarsboomden.

Nu stond hij voor zijn huis. Mechanisch had hij den sleutel uit zijn zakgehaald—mechanisch stapte hij naar binnen. Het felle licht tegen de witte gangmuren deed hem onaangenaam aan en het kwam in hem op maar weer weg te gaan, maar weer de straat op. Wat wilde hij hier? Zijn al half uitge-

14 Magda.

Sluiten