Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVIII

CHRISTY had den wagen gehoord en rende den trap af. Ze kon net nog de deur bereiken, voor hij belde. Nu lag ze in zijn armen.

„Mannie.lieve.heve, wat heerlijk, datje er bent!" Hij trok haar onder het licht en met een lieve beweging hief hij haar hoofd op.

„Toe, kijk me even aan! Hoe is het, kindje?" „Hoe 't is? Maar prachtig. Hoe zou het zijn, als jij er bent?"

„Niet boos op me om vanmiddag?" „Boos?Neen. Hoe kan ik daar nu boos om zijn?" Ze gingen arm in arm den breeden trap op. „Moeder is uit", zei ze, „nu nebben we het rijk alleen."

„Goed. Want we hebben veel te praten." * „Berst thee?"

„Neen, maar wèl graag wat te eten. Een toast of zoo. Na Bakker heb ik niets gehad. Hoe laat is het?"

„Half elf!"

„Wat zeg je? Half elf? Maar dan moet ik weg. Wat zou je moeder zeggen?"

„Dat doet er vandaag niets toe. Als je komt, is het omdat je moest komen en dan kunnen heusch geen mondaine bedenksels me er toe krijgen, je weer te laten gaan."

Sluiten