Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Van Weele zelf was zoo rustig gelukkig, als was die dag geen dag voor groote crisis geweest.

Even daarna kwam Magda thuis.Tusschen haar en Van Weele was de afstand gebleven. Ze maakte geen aanmerking over zijn late daarzijn, ze wilde Christy nu maar vrij laten, te meer daar ze met bijna ziekelijke angst in iedere beperking speurde naar 'n gevoel van jalousie in zichzelf. Ze had zich dat zoo langzaam aan bijgebracht, dat ze jaloersch was op Christy's geluk en dat wilde ze niet. Wat ze gehoopt had, 't deed er nu niets meer toe. Van Weele was Christy's verloofde en elk ander gevoel voor hem dan mondaine onverschilligheid leek haar, na haar heel intieme verlangens, onmogelijk. Ze was nog niet onverschillig.

Magda nam een fauteuil en de krant. De twee gingen aan de piano, ,,'t Is wel Duitsch," zei Christy, „maar van vóór 70, nog uit den goeden tijd en 't blijft mooi... Zal ik het zingen?"

Toen zong ze, met heel sobere begeleiding: „Du bist die Ruh". Ze zag hem aldoor aan, als wilde ze, dat haar woorden voor hem niet zouden zijn woorden van een lied — maar haar woorden, haar eigen woorden, die in hem zouden gaan en daar bezinken en worden tot een heilige, rustige waarheid.

Magda, bij het hooren van Christy's stem, sidderde. Eens had zij dat óók gezongen, datzelfde lied, ergens in de bosschen bij Antwerpen en 't had

Sluiten