Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIX

MAGDA was dien avond alleen op haar kamer en doorleefde de eenzaamheid. Zoo'n afschuwelijke, wreede eenzaamheid! Nu wist ze dan alles. Nu lag weer eens al haar vreemde en onverwachte hoop in duigen. Zij had hefgehad, dat voelde ze nu wel en het stond daar in groote, stille trekken voor haar, heel haar vreemde leven der laatste tijden. Nu was Christy weg en Van Weele met haar. 't Was een ellendige dag geweest. Zoo'n trouwerij had nooit veel bekoring voor haar gehad, haar eigen minder dan welke ook, maar dat zoo'n dag een verschrikking kon brengen als die zij heden doorleefd had, was toch ondenkbaar voor haar geweest. De ijzige kou van de holle Protestantsche kerk, het zware donderen van Bach's Preludium door de ijle leegten, de zeurige, fleemende, toch wel melodieuze stem van den predikant, 't was alles geweest als één lang aangehouden bedreiging. Van af haar plaats had ze Christy in profiel gezien en weer als eens tevoren was dat vreemde gebeurd: de absolute vereenzelviging harer twee persoonlijkheden, waarvan ze na wedersphtsing niet juist schatten kon, wat in haar van haarzelf, wat van de andere was. Van toen af was het haar, als zat zij zelve op Christy's plaats, als sprak van de kansel de zwaar omhan-

Sluiten