Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XX

DE kamer, waarin de étage-kellner Christy en Van Weele gebracht had, zag met haar twee groote ramen uit op de Jungfrau, Eiger en Mönch. De kellner, stram en stijf, sprak met Van Weele over bagage, een luxe-auto, die Van Weele tot zijn beschikking wenschte voor den tijd, dat zij in Bern zouden zijn en détails over de lunch. Het kon Christy alles niets schelen. Vóór haar lagen de bergen met hun dikke, witte Schneewachte en niets scheidde haar van deze witte grootheden dan de woestvlietende Aar en een paar hooge boomen, maar die deden bij de bergen zoo klungelig klein, dat die voor haar niet meetelden. Vaag hoorde zij de stemmen in de kamer, maar, met haar oogen in de witte verte, verloren die haar laatste werkelijkheid en werden een bijdrage te meer tot het sprookje, dat zij leefde. Eindelijk viel de deur in het slot en legde Van Weele een hand op haar schouder. Zij draaide zich halfom, maar kon alleen maar wijzen naar de bergen en het hinderde haar een beetje, en misschien was het voor het eerst, dat haar iets van hem hinderde, toen hij traditio( neel zei: „Prachtig, nietwaar!" Ze was teleurgesteld en wist eigenlijk niet goed waarom. Ze was bang met hem, niet vóór hem, maar mét hem, bang voor de herhaling der zwarte aanvallen, die geen

15 Magda.

Sluiten