Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En waar ik treed, en waar mijn voet,

Al gaande, den vochten grond

Beroert of 't water trillen doet,

Daar vonkt het vuur van den vreemden gloed,

Dien mij de diepte zond.

De golven wentelen, lichtbezwaard,

Naar den oever hun zwaren last,

En het magische vuur dat de diepte baart,

Het maakt mij zoo moede, want, onverklaard,

Houdt mij dit schijnsel vast.

Ik zoek in de diepten het tooverwoord,

Dat den ban verbreken moet,

In het ruischende licht, dat daar binnen gloort,

Maar de lichtende golven rollen voort,

En 't vuur danst voor mijn voet....

Indien ik mijn angst en ontroering verstak, Indien ik mijn onrust begroef In een ledigen klank? en den toover brak Door het noemen eens naams? en rustig sprak

— Omdat ik toch rust behoef —:

„De glans, die over de golven gleê,

— En ik dacht dat het vreemde gezicht Eens drooms mijn ziel ontstellen dêe — Het is het lichten van de zee,

Het is maar de zee, die licht"?....

Sluiten