Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN OUDERWETSCH AMBTENAARTJE.

's Morgens klokslag negen uren Zat hij voor zijn lessenaar. Vijf en twintig lange jaren Was hij nu al ambtenaar. Altijd deed hij net en zuinig Nooit had hij 'n cent verteerd, Rustig zou hij verder werken Tot hij werd gepensioeneerd.

Eerst las hij de ochtendbladen, Dan „Het Ambtenaarsbelang". Daarna toefde hij een poosje Laatste deur, rechts in de gang. Dan ging hij een loopje maken Naar het volgende bureau, Om een beetje kwaad te spreken Van den Hoofd-kommles, of zoo.

Tegen tienen ging hij zitten Geeuwend schreef hij dan 'n zin, Na zijn vier of vijfden regel Dutte hij gelaten in. Tegen elven werd hij wakker En een oogenbllk daarna, Kwam de vrouw van den conciërge Met zijn kopje chocola.

Alles wat zijn chef hem. opdroeg Was voor hem de hoogste wet. Zelfs de kleinste dommigheden Deed hij langzaam, nauwgezet. Nergens had hij wat te zeggen Alles dèed hij wat men wou, Op kantoor de knecht der Heeren Thuis het knechtje van zijn vrouw.

Over hem, zat op zijn krukje Zijn kollega de kommies. Jaren hadden ze al ruzie Altijd ging dat stil en kiesch.

Sluiten