Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JUB1LARESSE

SPEENHOFF AAN ZIJNE VROUW

Het is de allereerste keer

Dat ik mijn vrouw eens kan bezingen,

Want nu zij vrooüjk jubileert

Kan ik mijn vingers\ niet bedwingen.

Ik neem dus mijn giet aar ter hand

En vraag uw aandacht dames, heeren

Ik zing een lustig jubellied

Een lied gemaakt, ter harer eere.

Sinds twaalf en 'n half jaar Legt zij zich toe op liedjes zingen, Trok ze met mij door heel ons land Van Finsterwold naar Wemeldinge. Soms kwam ze met me in 'n plaats Wier naam ze maar niet kon verwerken Ze zei: „Oh sommes nous mon anti?" Ze noemde „Grijpskerk", „Griepsékerke."

Eens zong ze hier in Rotterdam, Een sociëteit had ons „genomen", Toen vroeg ze stil aan 'n meneer „De burgemeester zou die komen?" „Hij is een sympatieke baas", Zei mijn bedeesde Cesarlne Toen fluisterde die hooge gast: „U spreekt met hem, om u te dienen."

Het was voor haar in 't begin Een toer om onze taal te spreken. Na heel veel moeite en getob Doet zij het haast zonder gebreken. 'Maar als ze boos is op haar man W.ordt ze de echte Franskillonne Begint ze met „Jij ApekopP' En eindigt met: „Je te pardonne!" j

Eens zong ze in 'n Variété

Toen plotseling de menschen lachten.

Een olifant trad met ons op

En stond al op zijn beurt te wachten

Het brave beest snoof met zijn snuit.

Sluiten