Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GLIMLACHENDE KABELJAUW

Ach, hoe vroolijk is het leven Van de brave kabeljauw, Spelemeien, minnemallen Kan hij met zijn blanke vrouw, Vroeger werd hij nagezeten Door de logger en de bom, Tegenwoordig zwemt de snuiter Vrij zijn Doggersbankje om, Met zijn keeltjes en zijn tipjes Groost hij in den Oceaan, Met die vreeselijke visschers Is het nu voor goed gedaan. Niemand smeert nu meer zijn lever Op een stuk geroosterd brood, Niemand smult met botersausjes Van zijn kop- en miiddelmoot. Zoutevisch met frissche peentjes Wordt hij niet meer, als weleer En zijn kabeljauwen-leven Neemt geen stokvisch-einde meer. Als er soms een onderzeeër Plotseling zoo langs hem schiet Juicht hij: „Blijf maar torpedeeren" „Ga je gang maar, spaar ze niet" ■ „Zorg maar dat ze niet meer visschen" „Haal de schuiten naar benêe" „Ook de kabeljauw heeft rechten" „Op zijn plaatsje in de zee". „Voor uw schoone heldendaden" „Richten wij een standbeeld op", „Lieve, zoete onderzeeër" „Kus mijn kabeljauwenkop" „Ga met roem en eer beladen" „Naar uw vergelegen huis", „Mogen wij u decoreeren" „Met het kabeljauwenkruis?" „En wanneer ge wordt vernietigd" "„Zijn we allen rond uw graf"

Fluisterend:

„Hier ligt onze vriend begraven" „Kabeljauwen hoeden af?'

Sluiten