Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VADER VERGISTE ZICH

De vader:

Zoon, we gaan een loopje maken, Ver van school en van kantoor; Fluks naar buiten, naar de akkers, Ziet, het zonnetje komt door. Met ons verschgestopte pijpje, En de wandelstok ter hand, Gaan wij zacht aan promeneeren, Bij de tuinders op het land. Tusschen bloemkool en spinazie, Tusschen peen en postelein, Tusschen kropsld en andijvie, Moet het nu een wonder zijn. O, die lieve peterselie, O, die schalksche sterrekers, Na het milde regenbuitje, Is nu alles malsch en versch. Denk 's aan een rullig slaatje. Aan de hupsche selderij. Denk 's aan een bos asperges, Met wat boter en een ei. Zoon, het leven is zoo heerlijk, En de Lente Is zoo zoet, 't is zoo nuttig en verstandig, Alles wat de tuinman doet. Ziet gij hoe de rinsche raapsteel, Naast de rare snijboon groeit? Zoon, bemerk de vlugge doperwt, Hoe dat vroolijk geurt en bloeit. Kijk, de krommige komkommer, Wacht al op de flesch met zuur — Laat ons hand in hand gaan loopen, Grootsch en goed is de natuurt

D e zoon:

Vader, ziet gij daar die manden, Vol met sla en postelein? Ziet gij ook die witte kistjes, En die lange groententrein? Toe, beschouw de rappe tuinders, Met hun pilowbroeken aan.

Sluiten