Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

500.000 NEDERLANDSCHE

Eene ouwe vrouw spreekt namens hen:

Menschen, loopt niet zoo te klagen

Luistert naar een oude vrouw,

Weest toch niet zoo ontevreden,

Vreest niet voor een beetje kou'.

Klagen, mopperen en vloeken.

Hoor ik rond me, op de straat,

Over brood en over kolen

Net of Holland onder gaat.

Ik heb altijd kou geleden,

Ik had altijd kolennood

Ik had altijd open handen,

En ik ben nog lang niet dood.

Schoenen heb ik nooit gedragen,

Ik had maar mijn klompen aan

En ik kan na zestig jaren,

Toch nog op mijn beenen staan.

Ik heb altijd pap gegeten

Met een stukje roggemik;

Zondags was ik met mijn boontjes,

En wat reuzel in mijn schik.

Gas had ik voor mij niet noodig,

Cokes heb ik nog nooit gestookt,

Ik heb altijd maar mijn potje

Op wat turf of zoo gekookt.

Ik sliep in geen bed van veer en,

Ik lag meestal op den grond

En al kreeg ik wintervoeten,

Toch ben ik nog goed gezond,

Op mijn stroozak met een deken,

Had ik nooit een slechten nacht

En ik heb in al die jaren,

Vijftien kind'ren groot gebracht.

Menschen, zit niet zoo te zuchten,

Maakt geen ruzie met elkaar

Als je anders niet kunt leven,

Leeft dan als een bedelaar.

Als je soms geen vleesch kunt krijgen,

Weest dan niet zoo diep bedroefd

Vijf maal honderd duizend stakkers,

Hebben 't nog nooit geproefd.

Al die zorgen en ellende

Zijn maar flauwe kletsen];

Sluiten