Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIJN MEESTERWERK.

Met zijn kaal, romantisch jasje, Met zijn flopdas en flambaar, Met zijn schetsen-portefeuitie) En zijn halve-cents-sigaar, Sjokt hij langs de keukenramen, Van de rijke avenue, Waar hij staan blijft, of hij nadenkt Als 't ruikt naar biefstuksju.

Vroeger liep hij door die huizen, Met een los en wuft gebaar; Toen de dames er nog geurden, Met hun grooten kunstenaar. Vroeger ging hij vroolijk eten, In die mooie stille buurt, Tegenwoordig wordt hij jouwend Door de meiden weggestuurd.

Door het halfgeopend venster, Tuurt hij schuw in een salon, Waar hij eenmaal vlot in smoking, Zich vergoden laten kon. In die statige vertrekken, Waar hij vroeger lachen mocht. Hangen nog zijn schilderijen, Die hij voor een krats verkocht.

Langzaam sloffend door de straten, Kwam hij op een' kouden dag, Op een groote kunstverkooping, Waar hij ook zijn doeken zag, Uit een prachtige collectie, Werd zijn meesterwerk gehaald, Voor de glorie van zijn leven, Was al duizenden betaald.

Met de tranen in zijn oogen,

Keek hij naar zijn meesterstuk, \

Heel zijn jeugd zag hij weer voor zich,

Al die jaren van geluk.

Bevend stond hij daar te staren,

Arm, ellendig, oud en klein,

Toen men ook zijn werk ging veilen,

Riep hif opgewonden: „Mijn!"

Sluiten