Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HANDSCHOENTJES.

Als de kleine Mientje 's avonds, Vroolijk van haar winkel kwam, En ze, om maar thuis te wezen, Gauw de stille steegjes nam, Hield er in de laatste dagen, Op het hoekje van de straat, Zoo een aardig, dik oud-heertje, Haar een poosje aan den praat.

„Kind, wat ben je toch 'n schutje" „Met je haren in een vlecht!" Had hij knippend met zijn oogjes, Zachtjes in haar oor gezegd. „Hier een zakje chocolaadjes," „Snoep daar maar eens lekker van", „Morgen sta ik weer te wachten." Fluisterde de oude man.

Voortaan was het grijze heertje,

Tegen achten »p den hoek,

Met een fleschje odeklonje

Of een lekker stukje koek.

Tot hij op een guren avond,

Aan zijn lieve schotje vroeg:

Of ze aan haar lieve knuistjes,

Niet eens graag 'n handschoen droeg.

„Hier, 'n tientje," zei hij goedig, Toe maar liefje, neem 't nou, „Koop een aardig paar glaceetjes" „En de rest is ook voor jou." „Maar je moet ze thuis verstoppen," „Draag ze enkel maar op straat," „Als je met je oude heertje," „Naar den bioskoop toe gaat."

Weken duurden hunne praatjes, Mientje was- nog braaf en kuisch, Op een warmen Zondagavond, Kwam ze veel te laat naar huis, Na. 'n standje van haar moeder, Had. ze heel den nacht geschreid. Het beleefde, goede heertje Had het arme kind verleid.

Sluiten