Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar voor een gulle genegenheid, met een tikje weemoed in zijn wezen, dat wel eens dreigde over te slaan in dweperij. Toch was hij geen stille, geen droomer. Hij had behoefte aan steun en de zwakke leiding zijner ouders viel zoo licht te verschalken. Zouden die hem wel ooit begrepen hebben ?... Wel had hij ooit getwijfeld, was hij bang geweest voor de klare, vorschende oogen van zijn moeder, wijl hij meende, dat ze hem doorzag tot op den bodem zijner ziel... Maar 't was bij 't oude gebleven, hij had gewacht, zelf gezwegen, en niets had ze gezeid of gevraagd. Hoe dikwijls had hij van hun goedheid misbruik gemaakt, was koeler gaan voelen voor iets, wat ze toch niet wisten.

Vooral na dien eenen keer, dat hij in een kwartier meer had geleerd dan in heel zijn vroeger leven.

Toen was het gedaan!

Hij was niet sterk genoeg tegen zich zelf, tegen de dringende neigingen van zijn jongelingsjaren. Maar wee! wat een schreiende weemoed nevelde neer in ernstigen tijd van stilte en overdenken op zijn zieke ziel. Huiver-kille koortsen van hartstocht deden hem bibberen, maakten hem moedeloos en mat, — droomerig en zonder lust tot eenig werk. Zijnkostbare jeugd kon hij niet kuisch meer houden!

En hij las!

Voor zijn schoonheidszin en wetensdrang greep hij naar mooi en leelijk; hij wilde weten, wéten. Het een behaagde hem en het ander lokte als een bekoring. Hij suste zijn eerste, bijna-natuurlijke bedenkingen met een

Sluiten