Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogen dunk over zijn toekomst: diende hij niet alles te weten, het goede zoowel als het kwade ?

Reeds kwam onwillekeurig een losse zet in zijn hoofd op, pas gehoord van een oudere: was het leven dan anders?... Hieldt ge de oogen niet open, je liept er tegen aan als tegen een electrische tram, ineens, om den hoek van een straat; je liept er hals over kop in, wijl je 't donker water van den singel des avonds aanzaagt voor den beganen weg. Neen zien!

Meteen ook voelde hij de steeds heviger kwellende pijn van leegheid, van onvoldaanheid, van zucht naar meer, die in hem bleek te groeien met den dag. Onrustig werden zijn handen, bewegelijk zijn oogen, zijn gedachten dwaalden zoo ver en zoo achteloos achter zijn stille begeerten aan.

Hij las den laster, in mooie taal gesproken uit naam van schoonheid en beschaving, tegen het christendom, zijn geloof als katholiek...

Die schrijver boeide hem; hij was een gróóte. Hoog rees zijn woord voor zijn geest op met de gestalte van macht en gezag.

Was schoonheid niet het éénige op de wereld ? Voelde hij dat zelf ook niet, al was het niet duidelijk uit te spreken ? Was heel de rest dan geen bijzaak, of geen zaak, waar men de schouders voor ophaalt ? Kan schoonheid wel ooit iets verkeerds zijn! Schoon was toch schoon, en 't zou zondig ?... Juist datgene wat heel zijn wezen in beslag nam ?...

Sluiten