Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dan dacht hij soms ook, dat er waren, die hem zouden verachten, altijd; — voor wie zijn werk zou veroordeeld wezen; — daar waren er, die bittergezind moesten zijn jegens hem, omdat hij ontnam aan hun dierbaren het mooiste en heerlijkste wat ze bezaten. Een dief! Daar waren ouders, wie weet, die hem vloekten.

Was dat alles zijn schuld ? Zijn schuld, dat hun hartstochten niet hevig genoeg waren om zich geheel, zonder voorbehoud of achterdocht te kunnen geven, zich te dwingen onder die levensleer ?

Of had het hem soms weinig gekost?

O, soms twijfelde hij aan zijn eigen woorden en nog zoo sterke bevestigingen. Soms, als hij heel ernstig zat te schrijven, was het of er iemand naast hem stond, een klein, onoogelijk, griezelig wezen, dat nijdig spottend hem toefluisterde: weetje dat wel zeker?... meen je dat zelf?.. Alles voelde hij in die oogenblikken nog als buiten hem, meer een mooie en wijde mantel om zijn schouders, dan ziel van zijn ziel. Doch hij troostte dan: het zou wel komen mettertijd; de genezing van een wonde wordt immers voorafgegaan door veel pijn van snijden en branden en door kloppen van koorts.

Totdat er een boek verscheen.

Ieder zei: dat was het hoogste. Dat was de bloem, de langzaam ontloken, in den nacht opengebroken bloem aan de vreemde, grillig-gebouwde plant.

Hij kende den schrijver; die was zijn verleider geweest.

Sluiten