Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deren, voor hen, die altijd even onnoozel blijven als op hun zes, zeven jaren.

Het was de hymne aan het mooie, maar Iooze woord, zonder diepen kern van ziel, van innerlijkheid, zonder glanzing van binnen uit.

Wel fijn en verzorgd dat alles als witte vingeren met gouden ringen en stralende steenen, rijk en elegant. Maar was een mensch niets meer dan een hand ? Waar bleef zijn ranke, robuste gestalte ? Waar zijn houding van held en heilige ? Waar zijn blinkende, brandende oogen vol ziel?

Daar zagen geen levende oogen je aan, maar de doode, beweginglooze van een steenen beeld. Daar waren zuivere trekken, doch ze stonden geestloos als van een onwijze, — geen kennis stond te lezen op het hooge voorhoofd.

Heth oogste, dat ?

Ja, het kon midden in een lage, een lagere, en allerlaagste omgeving, waar alleen het ruw materiëele beteekenis gaf.

Maar al wat er hoogte in was, beteekende een ommekeer, een teruggaan naar hetgeen hij nog als een verre herinnering in zich om droeg, — naar de geheimen, naar de idealen van zijn jeugd, naar de diepten en de verten van zijn vroegere overtuiging, die nog leefde in hem, hij voelde het, — die niet sterven wilde, al lag ze soms bleek en stil als een doode.

Waarom had hij dan die pijn van scheiding zich moe-

Sluiten