Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TILDE.

Langs den hemel stormden grauwe wolken.

Ze kwamen op, ginds, achter de heide, beurden hun logge lichamen boven de dennenbosschen uit, — keken zoo donker naar het land en de boomen en de huizen en stormden voort in strak-zwijgenden ernst, als groepen van mannen met bittere trekken om oogen en mond, met den klemmenden angst voor de toekomst om de borst.

Beneden stonden de boomen van 't bosch als de pilaren en gebroken, zwart-gerookte bogen van een uitgebrande kathedraal, waar klagend de wind door dwaalde als een oude, droeve man, die heel zijn pracht had zien vergaan in weinig dagen. Daar sprak geen vroolijk woord van zon en lied meer over weide en akker, — daar lachte geen geluk meer boven huis en hof: de zon leek ziek, of bleek-bedroefd.

En met den herfst was gekomen wat Tilde lang had verwacht... Gekomen ook wat ze heimelijk had gevreesd, maar wat haar hart niet kon gelooven, wijl ze 't niet wilde..

Zou hij niet dezelfde zijn gebleven in den vreemde?...

Toen hij gegaan was in de lente, was 't afscheid blij geweest... Tegen den winter zou hij weerkomen en dan zouden ze kunnen trouwen met zijn geld; want daar zou hij werken, en denken, en denken aan haar, en schrijven ook...

Sluiten