Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was den eersten tijd ook zoo. Maar hoe verder de zomer naar het Westen week, hoe lager de zon aan den hemel stond, des te minder werd zijn schrijven.

Ze troostte zich: hij komt! wat zou hij schrijven? Onverwacht zou hij er eens zijn, zou hij voor haar staan, de handen vol blinkend geld, de oogen vol dapperen moed en zou hij vragen, het gegeven woord gestand te doen. En zij zou zeggen, ja!...

Daar waren er al thuis gekomen uit de verre streek.

En spoedig ging er zoo'n vreemd gerucht... van hem. Hij zou niet meer komen?... hij zou haar wel vergeten zijn?...

Ze lachte er mee! Wat kon men van hem zeggen? Dat hij dronk?... Omdat hij eens, twee keer misschien in 'tjaar wat vroolijk deed?... Hij zou niet komen?... Ze tartte allen in haar liefde uit: ze wist, ze wist het zeker, dat hij komen zou, om haar.

Alle woorden van bange vragen en angstige vermoedens werden zoo gemakkelijk teruggedrongen als booze gedachten... Haar moed was sterk geworden, sterker nog door den tegenstand van anderen. Haar geloof in zijn oppassend leven was even vast in haar, als de zon aan den hemél stond. Die kon wel bleek en verduisterd een dag boven de aarde staan, maar blank en stralend kwam die allen tegenstand te boven.

Hij zou niet komen?

Wie vertelde dat? Daar waren er, die daarbeneden!... Ze waren jaloersch op haar geluk, dat was het, anders niet.

Sluiten