Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nevel van droefenis haar warme tevredenheid omhuiveren, en moest ze zich geweld aandoen die dagelijksche en telkens terugkeerende, lastige neiging te overwinnen, wat haar zwaar en lastig viel soms...

Weer was ze terug in de ziekenzaal. Ze ging de bedden langs; hagelblanke bedden rondom in helder-witte gordijnen; elk een klein, intiem en vroolijk vertrekje op zich. Ze bleef even staan bij een zieke, en haar oogen lachten van voldane vreugd, toen ze de rustige ademhaling zag der zieke vrouw en moeder.

Dit was nu de eerste nacht, dat ze gerust sliep. Gelukkig, dat die moeder tot kalmte was gekomen. Wat een heerlijk tijdje had ze er in den laten avond mee gepraat!

Ineens was 't los gekomen, al het verdriet, dat zoo zwaar lag getast op dat zwakke leven, en het dooddrukte in benauwing. Heel uit haar eigen was die vrouw er mee begonnen.

Toen zij zich over haar boog, 's avonds, haar warm onderdekte en toefluisterde: „Nu moet ueensprobeeren, om lekker te slapen, moeder," had de zieke vrouw haar aangezien met zoo'n vragend-vorschende oogen, en plotseling was ze in heftige, schokkende snikken losgebarsten.

In 't begin was ze er over verwonderd. Die kalme vrouw, die zoo moedig en gelaten vele pijnen droeg, die zoo geduldig de zware smart aanvaardde van iederen dag, die zoo rustig dankte bij iedere hulp, zóó te zien schreien! Leed ze dan nog meer, dan iemand wist ?...

„Zuster, Zuster," kwam het over die bleeke dunne

Sluiten