Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze voelde de weeë pijn om de zonden, die haar zoo vreemd waren, — maar 't waren zonden, en zoo goed gemeend kon ze mooie woorden van troost zeggen tot die vrouw. Troost en moed, op zoo'n innigen toon van schroomvol en eerbiedig medelijden, en met oogen klaar om de wijsheid der ziel, die opging als morgenlicht in haar."

„Ze zou er voor bidden, veel bidden!... Als ze dat eens samen deden ?... Ja ?... En bidden hielp zoo zeker... Duizend keer had ze 't al ondervonden..."

Zoo was de moeder getroost en gerust gaan slapen, en ze zag nog naar het bleeke, gerimpelde, magere gezicht, naar die blauwingen onder de oogen, naar die doorzichtige neusvleugels,... en ze dacht aan het groot vertrouwen der vrouw op God en op haar gebed... Ze zou bidden; had het al gedaan bij haar waken, en straks, voor ze ging slapen, zou ze nog even naar de kapel gaan ; dan deed ze haar morgengebed alvast, en kon ze even aan baar denken.

En weer kwam haar nu de gedachte bij, die haar heel den nacht was lastig geweest: „is 't niet heel, heel klein, en erg ondankbaar, dat ik me nog zooveel laat gelegen liggen aan die kleine tegenkantingen, — dat ik nog met zoo weinig geduld die enkele fouten en eigenaardigheden van anderen kan verdragen ? .. . Moet ik al vervelend worden om zoo'n nietigheid, terwijl zoo'n moeder duizend pijnen lijdt in stil geduld ?... En wie weet, hoe diepe groeven van smart er zitten in die ziel en schrijnen, maar

Sluiten