Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTUSDRAGER.

Hoog en groot, maar toch slank en statig stond de kerk midden in de doodgewone huizen, en leek wel een koningin, omgeven door armelijke lui, en leek wel een alleengezongen lied van liefde en heerlijke vreugd voor rondom zittende, rustig, stille menschen. Daar kwamen ze dag aan dag, des morgens vroeg door de week, des Zondags heel den dag; daar kwamen ze en zaten biddend neer om zieh te verkwikken, zooals men zwijgend zich vleit inden schaduw om wat koelte te vinden na 't zware werk in heete zon. En, die daaruit ging, getroost en gesterkt, zagen hoe, achter in de kerk door 't ronde rozeraam het klare licht viel van den dag, getemperd en gelouterd door tal van zachte kleuren, en zagen, hoe in dat licht hun het gelaat tegenlachte van den God, die de opgang uit het Oosten was en de zon voor de ziel. En ze voelden zich veilig en groot in het besef, dat de donkerte rondom hen werd weggevaagd, evenals onder de hooge bogen en de zon, de nog jonge en al-sterke zon gleed langs de pijlers en de muren met een innigen, teeren gloed.

En allen ook, die de kerk verlieten, zagen onder dat raam, op het breede, vierkante vlak, in een band van kleurige, glanzende tegels het tafereel, dat in lijnen en kleuren tot hun oogen sprak en diep drong in hun gevoelige zielen.

Sluiten