Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echtelieden, stil en goed. Het was een rustig oord, want uren in het rond stonden slechts hier en daar wat arme, schamele hutten uit wat twijgen en wat leem tot woning saamgesteld. Zij beiden, man en vrouw, deden het werk van eiken dag, dat noodig was voor 't land; ze zochten vruchten in de donkere bosschen en wortelen op het woeste veld; ze kapten hout en gingen 's nachts op jacht. Ze aten, sliepen en ze werkten ; dachten weinig bij hun karig maal en harde legerstede. Ze werden als de wind en 't weer; de boomen en den grond: ruw, ongevoelig, levend zonder zorgen, eiken dag opnieuw.

Ze spraken van geen ver geluk, dat brandde als een licht-van-verre in hun ziel, ze kenden geen genot dan wilde ja^cht en warmen dronk den man; de vrouw dan t stille werk in huis en hof, voor veld en vee.

Ze kregen een kind. Zoo'n vreemde knaap! Zoo n struische jongen werd hij met grove knoken en met kroezig haar. En schreeuwen als hij kon en trappelen van drift met zijne kleine voetjes al! Hij groeide en werd een sterke en stoute bengel. Wel tienmaal sterker, maar ook tienmaal stouter dan de andere kinderen, die ze kenden, urén in het rond. Niemand had zoo'n rakker ooit gezien. Al was men boos soms om zijn dolle streken, men stond verbaasd toch om zijn durf en dacht: hoe is zoo'n moed en kracht wel mogelijk in zoo'n knaap ? Een dreigend karakter had hij, altijd tot vechten klaar, met harde vuist bereid zijn lijf en leden te verdedigen en het recht van zijn rooven te bewijzen met stoot en stomp.

Sluiten