Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kop niet anders gaan dan 't ging.

Overmoedig werd hij in zijn lust tot plagen en het weten van zijn kracht. Hij tartte eenieder tot een kamp. Er kwamen er velen saam, hij joeg ze uit elkaar, als een troep honden, ver van huis, die schuin omziend, met ineengedoken lijven, vluchten. Dan stond hij hard te lachen, een barre lach. Dan sloeg hij dol zijn handen op zijn knieƫn dat het klonk in 't rond. Juist iemand om een roover te worden, of een sterke strijder.

Hij was verdwenen op een dag, heimelijk gegaan. Kon het wel anders ? Was zijn omgeving niet veel te eng en klein voor zijn reuzenkracht ?

Met opgeheven hoofd en trotsch-rondzienden blik stapte hij zonder vrees langs de eenzame wegen en door dichte bosschen. Hij knakte jonge stammen en dikke takken knappend af, alleen uit lust om den greep te voelen van zijn sterke vuist. Wat ging hij doen ?

Een koning zoeken, maar een sterke! Wat deed hij immers ginds ? Zijn tijd verdroomen, tot zijn woede uit verveling wakker werd en smakte en trapte, wat hem tegenkwam, in stukken. Maar 't moest een sterke zijn: geen anderen zou hij dienen op den duur. Maar dien ook wilde hij wapendrager en krijgsknecht worden; hem helpen in het heetst gevecht, hem volgen in 't felst gevaar en altijd aan diens zijde zijn, bij dag en nacht, bij roof en recht, hem verdedigen met niets-ontziende en alles-kunnende kracht. Dan mocht hij later wellicht gaan in stalen of koperen maliekolder, dat al zijn leden dekken zou

Sluiten