Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar gingen roemers rond vol fonkelenden, rooden wijn. Daar was zang en lach. Rondom zaten de ridders en vrouwen en stonden de knapen. En hij, de trouwe en sterke, stond achter den vorst, en luisterde naar de blijvertellende stem en zag naar de sprankelend-vroolijke oogen en was geboeid door de mooie gebaren vol geestdrift.

Die zanger sprak van kamp en zang, van zegepraal. Toen gebeurde 't, dat hij smalend den duivel noemde en spotte met diens nederlaag. En allen kruisten zich met stille huivering, de koning ook, en al de dappere ridders en de schoone vrouwen en de dartele knapen. Wat was dat vreemd!

Zoo vroeg hij later aan een: „Wat deedt ge toch allen, straks, toen de zanger smalend over den duivel sprak?"

— Wij maakten 't teeken van *t heilig kruis, om ons te beveiligen tegen zijn listige macht."

— Dus die is sterk? Nog sterker dan de groote koning met zijn veertig vazallen?"

— Nog sterker zelfs dan twaalf vorsten, al hadden ze alle dappere ridders naast zich staan."

Toen werd hij stil en ernstig. Spijtig ging hij heel den dag met boozen blik en barschen mond. Want de koning was goed. En toch, hij moest hem verlaten: „den sterkste zal ik dienen, anders geen!" had hij gezegd. De vorst vreesde den duivel. Dan moest hij gaan, dien heer gaan zoeken door het heele land.

Zoo ging hij, nu eens droevig, dan weer blij.

Sluiten