Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoog zat die ridder; scherp van trekken, met hoekigmager gelaat, als van iemand, die haat draagt en dikwijls knarsetandt van verbeten woede. Zag hij hem ? ^v'ant daar kwam hij aan. Zware stappen zette zijn paard, stappen, die klonken op den grond als slagen van hamers op stalen aambeeld. Beter zag hij die vlammen in de oogen, vonkend en vorschend, boeiend en bangend tegelijk. Zóó een had hij nog nooit ontmoet, en bijna vreesde hij.

— Wat komt ge doen?" Snijdend snerpte die stem, dringend in merg en been, als een pijn.

— Zijt gij de duivel? Zijt gij zoo machtig? Ik wil u dienen! Laat me voelen den greep van uw hand."

— Die ben ik!" lachtte spottend de duivel en kermend knielde de reus al op den grond met achterover gebogen lijf, kermend van pijn om de knelling van zijn pols.

— Gij zijt sterk; wilt ge mijn meester zijn?"

En de duivel zei: „Kom!" Zoo deden ze saam vele slechte daden, bedroefden duizenden door rooven en moorden.

Eén ding vond hij vreemd. Telkens als ze kwamen op een kruispunt van wegen, joeg de duivel met geweld zijn snuivend en steigerend paard langs een houten huiske, dat daar stond. Dan drong hij de sporen diep in de lenden, dan brak het zweet hem uit en schuimbekte zijn dapper ros, en siste hij vreeselijke vloeken tusschen opeengeknelde tanden. Wat was dat? Hij vroeg het:

— Meester, wat is dat altijd op dien weg? Waarom briescht en steigert uw paard en zijn uw woorden als

5

Sluiten