Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen en zeven nachten dwaalde hij. Toen zag hij een ouden, grijzen man. Zwijgend zat die geknield bij een zeer dikken boom en bij goed toeschouwen bemerkte hij, dat in den stam een kleine kluis was uitgehold. Met de oogen neer, de handen saam op de borst, zoo zat de oude. Daar voor hem hing een kruis. Door het kraken van stappen op takken en blaren schrok de kluizenaar. Hij zag dien grooten, groven man vol verbazing aan. Deze maakte een kruis. En ook de oude kluizenaar kruiste zich en zeide: „Wees welkom broeder; zijt ge verdwaald?"

— Ik dien het kruis, waar is zijn koning? De sterkste moet hij zijn, sterker dan de duivel. De duivel is bang voor het kruis."

— Ik weet den koning! Hij schiep de zon, hij schiep de aarde. De boomen maakte hij en de menschen."

— Schiep hij de zon? Dan is hij groot. Waar woont die koning?"

— Hij woont daarboven en kwam op de wereld als een klein kindeke, arm en naakt."

En de kluizenaar verhaalde van den God die een kind werd, en leed en stierf en wonderen deed. Zoo zaten ze zamen, avond aan avond. Gedwee als een kind luisterde de reus en fluisterde telkens: „Hem wil ik dienen."

Toen doopte de kluizenaar den wilden heiden.

— Wat moet ik nu doen, ik, knecht van het kruis?"

— Bidden moet ge en boete doen."

— Wat is dat: bidden? Het kostbaarste schrijn een ridder ontrooven? den dapperste slaan in open kamp?

Sluiten